
Japan, de maatstaf voor topkwaliteit
Japan heeft een enorme voorsprong door de combinatie van geschiedenis, kennis en zeer gespecialiseerde bloedlijnen. Vooral in Niigata en delen van Hiroshima en Okayama wordt al generaties lang gericht gefokt.
Kwekers zoals Dainichi, Isa, Momotaro, Sakai FF, Omosako en vele anderen hebben tientallen jaren geïnvesteerd in het verbeteren van specifieke bloedlijnen. Dainichi heeft bijvoorbeeld Kohaku, Sanke en Showa bloedlijnen ontwikkeld die wereldwijd invloed hebben gehad op de koi kweek. Maar misschien nog belangrijker is de selectie.
Een Japanse kweker produceert vaak enorme aantallen jonge koi, waarvan slechts een klein percentage uiteindelijk wordt geselecteerd voor verdere ontwikkeling. Het verschil zit dus niet alleen in het kruisen van ouderdieren, maar vooral in het vermogen om op verschillende momenten de juiste koi eruit te halen.
Daarbij spelen de mudponds een belangrijke rol. De combinatie van natuurlijke voeding, waterkwaliteit, ruimte en het seizoensverloop geeft koi de mogelijkheid om zich op een heel natuurlijke manier te ontwikkelen. En juist dat laatste is belangrijk.
Taiwan, een zeer serieuze concurrent
Taiwan zou ik zeker niet onderschatten. Er zijn daar kwekers die al tientallen jaren met Japanse ouderdieren werken. Sing Chang Koi Farm bijvoorbeeld geeft aan sinds 1980 koi te kweken met Japanse kampioensouderdieren en gebruikt ouderdieren van onder andere Sakai, Omosako, Dainichi en Narita. Hun koi hebben bovendien internationale prijzen gewonnen.
Taiwan heeft bovendien een interessant klimaatvoordeel. De warme omstandigheden zorgen ervoor dat koi gedurende een veel groter deel van het jaar kunnen groeien. Daardoor kan een tosai in Taiwan onder bepaalde omstandigheden sneller ontwikkelen dan in Japan.
Maar daar zit ook een belangrijk verschil. Sneller groeien betekent niet automatisch beter worden.De Japanse methode draait niet uitsluitend om snelheid. Het gaat om de ontwikkeling van huid, kleur, body en patroon over meerdere jaren.
Taiwanese kwekers kunnen bovendien Japanse tategoi inkopen en deze verder laten groeien in het warmere Taiwanese klimaat. Dat maakt Taiwan eigenlijk een interessante combinatie van Japanse genetica en een ander groeiklimaat.
Israël, vooral interessant door het klimaat
Israël heeft wel degelijk een eigen koikweek, en het is zelfs een behoorlijk belangrijke speler in de internationale markt voor siervissen. De Israëlische overheid vermeldt expliciet dat koi in Israël zowel in open systemen als in gesloten, gecontroleerde faciliteiten worden gekweekt.
Een interessant voorbeeld is Koi on Demand, een Israëlisch bedrijf met meerdere kwekerijen en meer dan 20.800 m³ aan watercapaciteit. Zij kweken koi het hele jaar door en werken met eigen Israëlische ouderdieren.
Israël kweekt dus niet alleen Japanse koi op, maar heeft ook daadwerkelijk eigen kweeklijnen. De sector is vooral gericht op grote aantallen, commerciële productie, biosecurity en export. Israël heeft daarbij veel ervaring opgedaan met gesloten kweeksystemen en KHV vrije productie.
China, een markt met enorm potentieel.
China vind ik persoonlijk een interessante ontwikkeling. China heeft een enorme markt voor koi en er wordt steeds meer geïnvesteerd in hoogwaardige koi, kennis en infrastructuur. Bovendien ligt China geografisch dicht bij Japan en Taiwan, waardoor kennis en genetisch materiaal relatief gemakkelijk beschikbaar zijn.
Maar ik zou China momenteel niet als één geheel vergelijken met Japan. Er zijn grote kwaliteitsverschillen tussen kwekers en bedrijven. Sommige kwekers werken met hoogwaardige Japanse ouderdieren en proberen serieus hoogwaardige koi te produceren, terwijl andere vooral gericht zijn op volume en betaalbare vijverkoi.
Dat verschil zie je eigenlijk in ieder land. En dan komt voor mij het belangrijkste verschil. Als je een koi uit Japan vergelijkt met een koi uit Taiwan, Israël of China, moet je eigenlijk niet vragen: “Uit welk land komt hij?”
Maar: “Wie heeft deze koi gefokt, met welke ouderdieren en hoe is hij geselecteerd?” Dat is een veel eerlijkere manier om te vergelijken. Een uitstekende Taiwanese koi kan absoluut beter zijn dan een gemiddelde Japanse koi.
En een Japanse koi is niet automatisch een kwaliteitskoi alleen omdat hij uit Japan komt. Maar wanneer je naar het absolute topniveau kijkt, heeft Japan nog altijd een uitzonderlijke positie. Dat komt door de combinatie van genetica, generatieslange selectie, kennis, mudponds, ervaring en een cultuur waarin de kweker vaak zijn hele leven bezig is met het verfijnen van een bepaalde bloedlijn.

















